Pasen

De mens neemt binnen de natuur een uitzonderingspositie in omdat alleen in hem de scheppende intelligentie zichzelf bewust wordt van zijn aanwezigheid binnen zijn schepping. In de mens betreedt de universele intelligentie het door hem gebouwde. De mens is zijn heilige tempel.

Door zijn inwoning in zijn eigen schepping ervaart de scheppende intelligentie een beperking van zijn eigen universaliteit en kosmische vrijheid. In de mens ervaart de intelligentie de door deze beperking veroorzaakte angst. Die angst doet hem zichzelf vergeten en dit vergeten van zichzelf als kosmische intelligentie is het lijden. Het universele bewustzijn, dat levend is, woont in het huis van de dood. Het altaar dat in de tempel van het mensenwezen staat is het graf waarin de universele intelligentie begraven ligt.

Want de schepping is de uitdrukking van geestverlatenheid. In de schepping is de geest als zijn manifestatie, niet als actuele entiteit aanwezig. In de mens heeft het levendige godszijn echter het godverlatene betreden. Het kan dit godverlaten huis, deze graftombe, opnieuw transcenderen door de lijdenservaring op zich te nemen. Dan zal de begraven Geest uit zijn graf opstaan met medeneming van het getranscendeerde graf dat zijn behuizing was. Het graf, de dood, wordt zelf levend. Het door het Godszijn getranscendeerde graf is de Geestmens. De Geestmens is het doel van de in het mensenhuis binnengetreden God. Dit doel is het Lichaam dat Geest is. In de natuur is de Geest tot lichaam geworden. In de mens zal het lichaam weer opstaan tot Geest.

In de natuur is de mens het enige wezen dat daadwerkelijk gespleten is. Alle natuur – mineraal, plant en dier – is de volledige organische expressie van zijn oerprincipe, zijn entelechie. De natuur is volledig uitgevormd, voltooid. Hij is het werk van de universele intelligentie dat af is. Maar de mens is niet voltooid. Hij is Geest die inwoont in zijn eigen werk: het door de Geest gebouwde dat voltooid is en daardoor niet langer de onmiddellijke expressie is van zijn eigen geestelijk-aanwezige werkzaamheid is. In de mens ligt de Geest die is opgesloten in de behuizing waarvan hij de bouwer wasIn de mens bestaat zoals nergens anders in de natuur een daadwerkelijke tweespalt tussen de geest en zijn manifestatie, tussen de Geest die is en de Geest die was. Alle overige natuur is volledige manifestatie van de geest; hierin is geen ongemanifesteerde geest meer aanwezig. In de mens is tweespalt en deze tweespalt maakt reflectie, zelf-bewustzijn mogelijk. Alleen in de mens kan de universele intelligentie zich spiegelen. Deze spiegeling van het leven op de dood is het ‘zelf’. Daar dit zelf een doodsreflectie is, kent het bewust lijden en beredeneerde angst maar ook eigen gedachten. Omdat de mens het enige wezen in de natuur is dat gespleten is, is hij ook het enige wezen dat eigen gedachten heeft. Deze gedachten komen echter voort uit zijn gespletenheid en hebben daardoor het vermogen om onheil te brengen.

In de natuurlijke evolutie is de lichamelijkheid opgestegen tot aan het punt dat deze raakte aan de Geest die in zijn evolutie uit zichzelf afgedaald is. De rechtopgaande menselijke constitutie is de culminatie van de materiële schepping. Op dit punt bereikt de materie het Zenith van zijn baan. Dit Zenith van de materie raakt het Nadir van de ontwikkeling van de Geest. Het middernacht van de Geest raakt de middag van de materie. Op het moment van dit raken is het van planetair belang dat de curve van de materie overgaat in de dageraad van de Geest. Het summum van wat de evolutie in de levende materie heeft voortgebracht dient verder op te stijgen op de vleugels van de Geest, welks curve zijn diepste punt heeft bereikt en weer wil opstijgen. Zo niet, dan zal de middag en de daaropvolgende nacht van de materie optreden als een blijvende en onomkeerbare val in de dood der materie. In de mens zal de Geest dan in de materie worden meegesleurd en verworden tot ‘kunstmatige intelligentie’.

Wat nodig is, is een ommekeer van het bewustzijn. De mens dient in te zien dat het ‘zelf’ een spiegeling in de geestloosheid is, dat het de dood is die hem zijn spiegel voorhoudt. Dit inzicht dient gepaard te gaan met het inzicht dat het licht dat zich in de dood spiegelt werkelijk en levend is. Wanneer zijn zelf-bewustzijn zich omkeert, zijn ogen van de spiegel afwendt en het werkelijke, universele licht aanschouwt en herkent als dat wat zijn bewustzijn is, dan is hij bevrijd. Het universele licht is zich dan als mens van zichzelf bewust geworden en leeft in dit bewustzijn eeuwig en alomvattend voort.

Het menselijke zelf-bewustzijn is niet bedoeld voor het verzamelen, het zich toe-eigenen van geabstraheerde kennis, maar is bestemd tot het schenken, het scheppen van kosmisch zelfbewustzijn ter verheffing van het universum. Als enige wezen is de mens niet voltooid. De natuurlijke evolutie, de scheppende hand van God, zal hem deze voltooiing niet brengen. Hij moet zichzelf voltooien door zich aan de verslavende lokroep van de zwarte spiegel van de dood te ontrukken en zich in vrijheid om te keren. Het Christuswezen dat hem daarin is voorgegaan wil hem daarbij helpen.

The Known and the Unknown

Can that which is immeasurable be found by you and me? Can that which is not of time be searched out by that thing which is fashioned of time? Can a diligently practiced discipline lead us to the unknown? Is there a means to that which has no beginning and no end? Can that reality be caught in the net of our desires? What we can capture is the projection of the known; but the unknown cannot be captured by the known. That which is named is not the unnameable, and by naming we only awaken the conditioned responses. These responses, however noble and pleasant, are not of the real. We respond to stimulants, but reality offers no stimulant: it is.
[Uit: Jiddu Krishnamurti, Commentaries on Living, 1st Series]

Authentiek bewustzijn en vrije wil

Een serie artikelen, gebaseerd op de ‘Anthroposofische Leitsätze’ van Rudolf Steiner en het werk van Jiddu Krishnamurti.

Steiner beschrijft van de manier waarop een ‘relativ unabhängige, selbständige Wesenheit’ uit het algehele, ongebonden bewustzijn kan opstijgen. Dat is het ‘Ik-wezen’, niet te verwarren met het conceptuele ‘zelf’. Hij noemt dit het ‘ware wezen’ van de mens. Dus niet het zuivere astrale bewustzijn, maar het ‘Ik-wezen’ is volgens Steiner de ware natuur van de mens. Met andere woorden: de beleving van het zuivere, ledige, kenvermogende astrale bewustzijn is volgens Steiner – en dat lijkt in tegenspraak te zijn met wat het Dzogchen boeddhisme als de uiteindelijke én oorspronkelijke perfectie nastreeft – niet de laatste en hoogst bereikbare toestand; dat is het leven vanuit het geestelijke ‘Ik-wezen’ dat zich als ‘individualiteit’ doorheen de opeenvolgende aardelevens continueert.

Denkbeeldig of werkelijk?

Is de wereld denkbaar? Is onze denkende verhouding tot de wereld een werkelijke verbinding met de wereld? We hechten groot belang aan het denken. De mens-wereld dialoog heeft drie ‘kanalen’, drie ‘tunnels’ waardoorheen de uitwisseling tussen ‘ons’ en de ‘wereld’ plaatsvindt. Deze noemen wij het ‘denken’, het ‘voelen’ en het ‘willen’. Deze drie vormen van interactie lijken onderscheiden zich door de specifieke richting waarin de uitwisseling plaatsvindt. Het voelen richt zich van de wereld naar ons; hier is de wereld actief en zijn wij passief. Het willen richt zich van ons naar de wereld; hier zijn wij actief en is de wereld passief. Voelend werkt de wereld op ons in. Willend werken wij op de wereld in.

Het denken staat in het midden tussen voelen en willen. Denken fungeert als intermediair. Voordat wij kunnen willen hebben wij een motief nodig. Dit motief ontlenen wij aan een gedachte, aan het denken dus. Wanneer een gevoel rechtstreeks, dus buiten het denken om, tot een handeling leidt dan is er sprake van een instinctieve reactie. Wij doen iets zonder het te willen. In het algemeen worden wij dan niet aanspreekbaar geacht voor zo’n reactie. Zo’n instinctieve reactie wordt niet als een vrije reactie beschouwd. In hoeverre een gewilde handeling, dat wil zeggen een op het denken gebaseerde handeling, wel vrij is zal afhangen van de geaardheid van het motief. Als dit motief een bestaande voorstelling is, dan is de handeling niet vrij. Het willen is dan geconditioneerd en kan dus niet of in mindere mate aangerekend worden. ‘Heer, vergeef het hen, zij weten niet wat zij doen’. Bestaande voorstellingen (onvrije motieven) kunnen persoonlijk of collectief zijn; ze kunnen uit één denkbeeld bestaan of een heel complex van aan elkaar gerelateerde en op elkaar gebaseerde denkbeelden zijn. In het laatste geval spreken we van denksystemen. Die komen we tegen als basis van religieuze en politieke ‘overtuigingen’, ideologieën en utopieën. Vrij kan een motief alleen zijn als dit volkomen op zichzelf staat en geen relaties heeft met welk bestaand denkbeeld dan ook. Zo’n motief kunnen we intuïtief noemen. En daar komen we op het punt waarop we weerstand gaan voelen. Want waardoor wordt een dergelijke intuïtie gecontroleerd? Hoe weten wij of deze ‘goed’ is of ‘slecht’? Kortom, hoe toetsen wij een bewustzijnsintuïtie op zijn ‘geschiktheid’ om daarnaar te handelen? Deze toetsing vindt niet plaats in het hoofd, maar in het hart. Het is ons geweten dat de toetssteen is. Het zuivere geweten is de ‘firewall’ van het hart die alleen het ‘goede’ doorlaat. In het algemeen kan gezegd worden dat een bewustzijnsintuïtie waarachtig is wanneer deze een moreel en altruïstisch karakter heeft. Het ‘willen’ van een dergelijke inhoud is ‘goede wil’. Dat moet niet verward worden met het ‘willen van het goede’, want dan hebben we het op het ‘goede’ als een denkbeeld. Het willen van het goede is onvrij. We treffen dit aan in genoemde politieke en religieuze systemen die denken te weten wat het ‘goede’ is. Hoe vaak zien we deze vorm van willen niet afglijden naar conflictueuze situaties en erger? Vrij daarentegen is het goede dat in ons willend is. Vrij is de handeling waarin wij de intuïtie van het goede in ons willend laten zijn. In de intuïtie komt een vollediger wereldinhoud tot ons dat die welke uitsluitend als denkinhoud (gedachte) tot ons kan komen. In de intuïtie komt niet alleen het beeld van de werkelijkheid mee, maar ook het willen, dat wil zeggen het wezenlijke van de werkelijkheid. Het vrije handelen roept ook een gevoel van welbehagen op dat een vrij gevoel is omdat het niet een reflectie, een stoten, aan de wereld is maar het voelend zijn van de werkelijkheid zelf.

Werkelijkheid is wezenheid. Werkelijkheid is denkend, voelend en willend. Wanneer de werkelijkheid denkend, voelend en willend in ons aanwezig is, zij ‘wij’ en de ‘werkelijkheid’ één wezen. Dan is ware intelligentie in ons ontwaakt. In dit ontwaakt-zijn is het ‘ego’ volledig afwezig. Dan is er sprake van een ultiem ‘begrijpen’ der dingen – namelijk het ‘de-dingen-zelf-zijn’ dat teven is ‘het-zelf-der-dingen- zijn’ ofwel: het Zelf zijn dat zich als de dingen manifesteert aan elk bewustzijn dat dingen wenst te onderscheiden.

‘Wij’ kunnen de ‘wereld’ nooit begrijpen door middel van het verstandelijke denken. Denkbeelden kunnen de werkelijkheid hooguit afspiegelen. Daarbij komt dat datgene wat er wordt afgespiegeld maar één aspect, het intellectuele, van de werkelijkheid is. Het voelende en het willende aspect van de werkelijkheid treden in de denkbeelden niet binnen. In onze gedachten is de werkelijkheid niet wezenlijk (waardoor de gedachten ‘onze’ gedachten kunnen zijn. Wat in het denken van zulke gedachten als ‘vrij’ en ‘van ons’ wordt ervaren draagt niet de levendigheid (dat ‘onberekenbaar’ en intuïtief is) van de werkelijkheid in zich. In die zin wordt er geen ‘werkelijkheid’ begrepen. Met ons verstandelijke denken begrijpen wij de ‘werkelijkheid’ eigenlijk helemaal niet. Denkend ervaren wij slechts een afspiegeling, een ‘schaduw’ van de werkelijkheid. Hierin treedt alleen datgene op wat als het ‘mechanische’ binnen de werkelijkheid aanwezig is. De werkelijkheid begrijpt zichzelf zó volkomen dat dit begrijpen niet in onze denkbeelden vervat kan zijn. Wij kunnen echter wel één worden met dit ‘zichzelf-begrijpen’ der werkelijkheid. Dat vindt plaats als we het denken, voelen en willen van de werkelijkheid zijn. De zelf-loze intuïtie is de poort die hiernaar opent. Deze poort opent zich waar het zelfbeeld verdwijnt maar de idee van vrij kunnen denken blijft bestaan. Niet wij denken dan, maar ‘het’ denkt op de plaats waar wij waren.

Kop of munt

Illusie is de gedachte dat het gevormde, het conceptuele, een ingeboren werkelijkheid, ‘zelf-natuur’ heeft. Ook het concept van onze individualiteit als ‘zelf-bestaand’ wezen is illusie. Alleen het niet-geconcipieerde, het ongevormde, heeft ‘zelf-natuur’. Onze werkelijke zelf-natuur is niet het conceptuele ‘zelf’, het door het denken gevormde zelfbeeld , maar is het ongevormde, het a-conceptuele. ‘Zelf-natuur’ is geen object en daarom is het ‘werkelijke zelf’ géén object. Objecten met een inherente vastheid of gelijkblijvendheid behoren tot het illusoire. Dit illusoire is, wanneer het op de juiste wijze onder ogen wordt gezien, echter toch een ‘werkelijkheid’. Als illusie zijn de objecten namelijk geen bedrog maar de ‘zelf-natuur’ die zich als illusie manifesteert. Alleen in die zin kan er gesproken worden van een ‘bestaan’ van de dingen alsmede ook van ons ‘zelf’. Zij bestaan als illusie. 

Het wonderlijke van illusies is dat datgene wat ze koestert ‘zelf’ ook een illusie is! Datgene wat illusies voortbrengt is illusie omdat zijn ware aard, zijn ware gezicht, bedekt wordt door deze voortgebrachte illusies. We kunnen dus zowel beweren dat er ‘eerst’ een illusoir ‘zelf’ is dat illusies koestert, als dat er ‘eerst’ illusies zijn die door hun verduisterende werking de illusie van een ‘illusies voortbrengend zelf’ veroorzaken. Deze paradox is er het teken van dat beide uitersten ‘hetzelfde’ zijn, als de twee zijden van een munt. Er is geen causaal verband tussen beide; zij hangen samen doordat zij beide een aspect zijn van ‘zelf-natuur’ die zich polariseert, dat wil zeggen zich voordoet als een ‘uitrekking’, een ‘zich uitstrekken’ en daardoor uiteengaan van Tijdruimte in tijd en ruimte. Dit proces is manifestatie van de in zichzelf vormloze ‘zelf-natuur’. Alle werelden, vormen, gebeurtenissen, aggregaties en krachten – kortom alles wat door bewuste wezens ervaren en waargenomen kan worden, is zulke manifestatie van ‘illusie’ die niet gescheiden is van het bewuste waarnemen en ervaren ervan, zoals kop en munt niet van elkaar gescheiden zijn. Zonder manifestaties geen bewuste wezens; zonder bewuste wezens geen manifestaties. Bewustzijn en zijn inhoud zijn één. Beide zijn echter gezichten van de onveranderlijke ‘zelf-natuur’, zoals kop en munt beide afbeeldingen van één munt zijn. Deze ‘zelf-natuur’ is geen ‘bewust wezen’, niet een bewustzijn van iets. Het is een leeg vermogen om bewust te zijn. Wanneer dit vermogen zich manifesteert, zijn die manifestaties zowel bewustzijn als de inhoud daarvan, zonder dat één van beide onafhankelijk zelf-bestaan heeft. Een munt kan nooit maar één zijde hebben. Oftewel: er zijn geen vormen zonder bewustzijn van die vormen en er is geen bewustzijn zonder vormen waarvan het zich bewust is. De ‘werkelijkheid’ van zowel vormen (objecten) als bewustzijn (subjecten) is het ongevormde kenvermogen.

Denken speelt zich af tussen subjecten en objecten en is als zodanig de overbrugging van de ruimte en tijd die ‘ontstaat’ wanneer het ongevormde kenvermogen zich polariseert. Denken is als het ware de uitdrukking van het oorspronkelijke ‘hetzelfde-zijn’ van object en subject. Denken is géén ‘activiteit’ van een ‘subject’ die zich richt op een ‘object’. Die opvatting van het denken is wederom illusie. De oorsprong van het denken is het lege kenvermogen dat subject, object en denken manifesteert.

Uiteindelijk is ook het onderscheid tussen ‘illusie’ en ‘werkelijkheid’ niet-bestaand omdat het ‘iets’ suggereert dat zo’n onderscheidt maakt door zich ervan bewust te zijn. Uiteindelijk is alles is hetzelfde.

Het is

Hoewel alles er uit voortkomt heeft het geen verleden en geen toekomst
Het is vrij van elk verleden en vrij van elke toekomst
Het staat op zichzelf
Het heeft geen doel, angst of verlangen
Het ademt ruimte en tijd in- en uit in scheppend-vernietigende activiteit
Het legt niets vast
Het gaat, maar reist nergens heen en komt nergens vandaan
Het is leeg maar schept en draagt alle vormen
Het is oneindig groot maar zonder afmeting
Het is ondenkbaar maar elke gedachte komt er uit voort
Het is niet ergens maar overal
Het was er niet en zal nooit komen
Het is onbereikbaar voor wie er naar reikt

Het is
Hier en Nu

Confusion and Wisdom

At present the state of ordinary people is like pure gold covered with dirt. Our buddha nature is covered by temporary obscurations. One of the main obscurations that need to be purified is our fixation on duality, on solid reality. Once it is purified, then gold is just gold. As long as our mind is confused, bewildered, deluded and mistaken, our buddha nature continues to be dragged through the realms of samsara. But when the mind is unconfused, unmistaken, and undeluded, it is the buddha nature itself.
It is not that the buddha nature is one thing and our mind is another separate thing. They are not two different entities. The undeluded mind itself is the pure gold, the buddha nature. Sentient beings do not have two minds. When the mind is deluded, it is given the name sentient being. When the mind is undeluded, unmistaken, it is called buddha.
There are not two different entities. The undeluded mind itself is the pure gold, the buddha nature. Sentient beings do not have two minds. When the mind is deluded, it is given the name sentient being. When the mind is undeluded, unmistaken, it is called buddha. 
(Tulku Urgyen Rinpoche in As It Is, Vol. I, ‘The Fourth Dharma of Gampopa)

Meer citaten

Kalachacra

De hiernaast getoonde mandala beeldt Kalachakra, ‘het Wiel van de Tijd’ uit. We zien een aantal concentrische cirkels met daarbinnen een symmetrische structuur die de suggestie van gelaagdheid en diepte wekt. Het is inderdaad de diepte van de Tijd waarin men binnengaat, als in een gebouw met vele verdiepingen.

Het mediteren over deze mandala heeft verrassende inzichten opgeleverd over Tijd, Ruimte en Geest en onze plaats daarbinnen. Zie voor de volledige beschrijving hiervan het artikel ‘Kalachakra‘ onder het menu ‘Artikelen’.

Niet elke vraag behoeft een antwoord

Een wezenlijk onderscheid tussen de menselijke geest en het bewustzijn van dieren is dat een mens zich vragen kan stellen. Het aantal vragen dat wij ons en anderen stellen is oneindig. Zo zijn er de wetenschappelijk georiënteerde vragen: Hoe werkt iets? Wat is leven? Wat is het ‘zelf’? Wat is God? Een andere categorie van vragen heeft te maken met causaliteit: wat is de oorzaak en wat is het gevolg van een bepaalde gebeurtenis of daad? Wie of wat is schuldig aan een bepaald voorval? Hoe kunnen we dit in de toekomst voorkomen? Waar kom ik vandaan? Hoe kan ik mijzelf veranderen? Hoe kan ik de wereld verbeteren? En dan zijn er vragen die betrekking hebben op zingeving: wat is de zin van iets? Waar is het goed voor? Wat is het doel van mijn leven? Waarom moest mij dit overkomen? Wat is het doel van de schepping?

De vraag die we ons allereerst moeten stellen is de ‘vraag naar de vraag’: waarom stellen wij eigenlijk vragen; waarin is het vermogen om vragen te stellen gelegen? Het antwoord hierop lijkt te zijn: het typisch menselijke vermogen om zich vragen te kunnen stellen is gelegen in het denken. Het is het denken dat zich vragen stelt. Door het stellen van vragen en het zoeken naar antwoorden probeert het denken nieuwe ervaringsinhouden en waarnemingen waar het zich door de zintuigen tegenover geplaatst ziet in te passen in zijn reeds bestaande gedachteninhoud. Het denken doet dit in dienst van het ‘zelf’, want het is deze bestaande gedachteninhoud die het ‘zelf’ bepaalt en identificeert. Het stellen van de vraag en het zoeken naar een antwoord heeft te maken met zelfbevestiging. Zodra ‘iets’, of een bepaalde ervaring of indruk, niet ‘matcht’ met het ‘zelf’ ontstaat er een vraag.
Elke vraag vertegenwoordigt een gevoel van onzekerheid van het ‘zelf’. Het vragen is een roep om zekerheid die we menen te kunnen vinden door middel van het antwoord op de vraag. We weten of kennen iets niet, we hebben ergens door middel van ons denken geen grip op, we kunnen de gevolgen ergens van niet voorspellen, enzovoorts. Aangezien het ‘zelf’ een sterke behoefte heeft aan zekerheid (die in feite de zekerheid van het eigen voortbestaan is) voelt het zich bedreigd door elke vraag zolang deze nog geen antwoord heeft. Het bestaan van onbeantwoordbare vragen is voor het ‘zelf’ onverdraaglijk. Elke onbeantwoorde vraag ondermijnt het zelf en vormt daardoor een onmiddellijke bedreiging. De angst die deze bedreiging oproept leidt tot de drang om te begrijpen. Begrijpen is ‘denkend vastgrijpen’. Het vinden van een antwoord geeft het ‘zelf’ het gevoel ‘houvast’ te hebben waardoor het zichzelf bevestigd en gesterkt voelt. Daarom roept het denken niet alleen vragen op, maar zet het onmiddellijk een mechanisme in werking dat niet rust voordat er een antwoord gevonden is. Dit leidt tot het tweede wezenlijke onderscheid tussen mens en dier. De mens is onderhevig aan een voortdurende innerlijke onrust, voortkomend uit de vragen die het denken oproept en de noodzaak om daar zo snel mogelijk een antwoord op te formuleren. Een dergelijke antwoordformulering is een concept. Het menselijke zelf moet zich om voort te kunnen bestaan voeden met concepten. Maar al deze concepten werpen zich op als een muur tussen het ‘wetende’ in de mens en de werkelijkheid zoals die is.

Maar hebben al die vragen wel een antwoord nodig? Is de vraag niet zelf de essentie? Een vraag is een manifestatie van de Openheid terwijl het antwoord deze Openheid weer afsluit. De vraag opent de deur naar het nieuwe en onmeetbare, het gevonden antwoord sluit deze deur voorgoed. Het antwoord is de deksel op het potje waarin we de werkelijkheid menen te kunnen vangen. Zulke opgesloten, ingekaderde werkelijkheid is een concept, een voorstelling.
Ruimte en Tijd zijn in wezen Openheid, want zij zijn beide manifestaties van de Leegte en de Leegte is volledig Open. Deze openheid is een onbeperkt vermogen tot opnemen. Dit vermogen, deze capaciteit, is ‘verwondering’. De al-essentie is verwondering en deze verwondering is levend aanwezig in de vraag maar wordt gedood door het antwoord. Alles wat zich in Ruimte en Tijd heeft gevormd kan worden opgevat worden als even zovele antwoorden op de open vraag die het wezen van de Werkelijkheid is. Die Vraag, het wonder der verwondering, klinkt door alle Ruimte en Tijd als het woord ‘AUM’ of OM. Wanneer wij het wonder van de vraag niet meer doden door middel van het conceptualiserende antwoord participeren wij aan de Werkelijkheid die het onuitspreekbare en ondenkbare vragen van alle alle vragen is. Dit participeren aan de Werkelijkheid is het levende antwoord. Wij zijn dan dit antwoord.
Het zoeken naar een antwoord op de vraag ‘Wat is Waarheid’ plaatst ons in de onwaarheid. De vraag is zijn eigen activiteit. Deze activiteit is het leven-scheppende.
Ik droomde eens dat ik de vraag stelde wat het karakter van de werkelijkheid was. Er klonk een stem die sprak: het is een vragen binnen een vragen binnen een vragen.

De Geest van werkelijkheid


Omdat er in essentie alleen Leegte is en deze geheel ‘alleen’ is, bracht de Leegte uit zichzelf de Illusie voort. De Illusie is de gedachte dat er naast Leegte iets anders dan Leegte kan zijn. Deze gedachte komt tot uitdrukking in het Lichaam van Ruimte en Tijd. Om dat Lichaam te realiseren bracht de Leegte uit zichzelf Ruimte en Tijd voort. De Ruimte geeft substantie aan de Illusie en de Tijd geeft duur aan de Illusie. In Ruimte en Tijd kan de Illusie ‘bestaan’. Doch Ruimte en Tijd, en daarmee ook de Illusie, zijn in essentie Leegte, want zij zijn een uitdrukking van de Leegte.
De Geest van werkelijkheid waait door het lichaam van de Illusie als de wind waait door de takken van een boom. De wind doet de takken bewegen maar dit bewegen is geen autonoom eigen-bewegen van de takken. Zo ook heeft de Illusie door het waaien van de Geest der werkelijkheid leven en bewustzijn maar dit leven is geen autonoom eigen-leven en dit bewustzijn is geen autonoom eigen-bewustzijn.
Het essentiële zelfbewustzijn in alle manifestaties van de Illusie, in alle organen van het lichaam van Ruimte en Tijd, is de Geest der werkelijkheid die Leegte is en waait waarheen hij wil.
‘Uw wil geschiede gelijk in de hemelen alzo ook op de aarde’.

De Illusie komt tot realisatie door zich er van bewust te worden Illusie te zijn. In dit bewustzijn, dat het waar-zijn van Illusie erkent, komt de Leegte tot kennis van zichzelf. De mens die de werkelijkheid van zijn ‘Ik’ erkent én aanvaardt als illusoire manifestatie van Leegte heeft deze zelf-kennis gerealiseerd.